Participeren, wat speelt er mee?

22-05-2019

In de meeste – zo niet álle – gemeentelijke coalitieakkoorden wordt de intentie uitgesproken om te komen tot een vorm van participatie. Men wil en moet er iets mee, zeker met het in werking treden van de omgevingswet in 2021. Die stelt burgerparticipatie verplicht. Rondgang in de regio leert dat de ene gemeente al jarenlang ervaring heeft met burgerparticipatie en inmiddels over is gegaan tot overheidsparticipatie, terwijl anderen op zoek zijn naar een manier om beginnende trajecten succesvol invulling te geven. Daar waar de ene gemeente een notitie burgerparticipatie wenselijk acht waarin heldere afspraken en kaders worden opgenomen, krijgen andere organisaties vanuit de raad de ruimte om te leren vanuit het experiment en vertrouwen. Hoe groot de onderlinge verschillen ook zijn, participatie kent een aantal generieke aspecten die bij kunnen dragen aan het resultaat.

Wie doet er mee?

Belangrijk is de vraag OF inwoners wel betrokken willen zijn. Die betrokkenheid verschilt nogal zoals Rosenblatt in onderstaande piramide laat zien. Lang niet iedere inwoner praat graag mee of wil actief zijn in de eigen buurt. De brede basis bestaat uit inwoners die liever niet participeren maar toekijken of het proces op afstand volgen, dat is veruit de grootste groep. De top van de piramide is bevolkt door een kleine groep betrokken mensen die je overal terugziet als er iets wordt georganiseerd of gevraagd; de usual suspects. Er klinkt nogal eens teleurstelling als steeds weer dezelfde mensen zich melden voor een bijeenkomst of traject. De verklaring hiervoor is dus deels te vinden in de opbouw van deze piramide.

Hoe bereik je de unusual suspects?

De top van de piramide is smal. Het is de vraag hoe je naast de kleine, trouwe schare meedenkers en actievelingen ook andere mensen betrekt bij participatietrajecten. Bleijenberg* onderzocht dit en concludeert het volgende:

  • Een onderwerp dat aansluit bij de eigen belevingswereld kan vaker rekenen op belangstelling. Differentiëren op basis van leeftijd en interesse/belangen is dus wenselijk bij het ontwerp van het participatietraject.
  • Een concreter onderwerp nodigt meer uit tot meedenken dan een abstract of breed onderwerp.
  • Ook de vorm die wordt gekozen, is van invloed op de mate van betrokkenheid. Niet iedereen heeft tijd voor bijvoorbeeld een of meerdere bijeenkomsten maar wil wel een digitale enquête invullen.

Bleijenbergs advies is:

  • Maak de vormen en tijden flexibel zodat men kan aanhaken.
  • Kies een combinatie van online en offline instrumenten.
  • Zorg dat mensen ook echt weten waar het over gaat, geef vooraf goede informatie.

Zelfbewuste aanpakkers zijn het meest betrokken

De verschillende motieven van inwoners spelen ook een rol:

  • Is er sprake van eigen belang?
  • Wil men meedoen omdat anderen het ook doen, ‘voor de gezelligheid’?
  • Wil de inwoner nadenken over planvorming of juist uitvoering?
  • Wordt de inwoner graag door de overheid direct gevraagd of juist via een bekende?

Een instrument dat betrekking heeft op bovenstaande punten en waardoor fijnmaziger communicatie in het kader van participatie mogelijk is, is het betrokkenheidsprofielenoverzicht van bureau Citisens. In dit overzicht is de totale bevolking ondergebracht in acht profielen. Deze geven inzicht in de mate van betrokkenheid en het vertrouwen in instituties van de betreffende groep. Verzamelde data over diverse levensgebieden geven daarnaast ook informatie over motivatie en de wijze waarop de groep bij voorkeur geïnformeerd wordt. Er is een overzicht van betrokkenheidsprofielen op gemeenteniveau verkrijgbaar. Meer informatie vind je op www.citisens.nl.

Bovenstaand overzicht geeft inzicht in de diverse groepen, het percentage van het totaal van de inwoners dat tot de groep behoort en de mate van betrokkenheid. De zelfbewuste aanpakkers (roze), 16% van de Nederlandse bevolking behoort daartoe, zijn verreweg het meest betrokken en scoren gemiddeld in het vertrouwen in de gemeente.

Luisteren is moeilijker dan praten

Het ontwerp van een participatietraject of bijeenkomst moet dus passen bij het onderwerp en de doelgroep.

Aarts* en Bleijenberg betogen dat de overheid niet zozeer méér maar vooral béter moet communiceren met inwoners. Niet altijd worden verwachtingen van participatietrajecten waargemaakt. Oorzaken zijn bijvoorbeeld een weinig innovatieve aanpak, de aanwezigheid van altijd dezelfde mensen en het onvermogen om de opbrengst te vertalen naar beleid. Het ontwerpen van het participatietraject beperkt dus zich niet tot het goede instrument, de goede locatie, opstelling en de juiste sprekers. Een echt goed gesprek is bij face to face bijeenkomsten cruciaal. Hierbij is het belangrijk dat inwoners zich serieus genomen voelen en dat er oprecht wordt geluisterd.

In China zegt men: je hebt niet voor niets twee oren en één mond. Luisteren is veel moeilijker dan praten! Ook Aarts erkent dit en voert in een van haar hoorcolleges vier manieren van luisteren aan:

  • Downloaden, op zoek naar een aanleiding in het verhaal van de ander om bij aan te haken. O ja, daar zijn wij ook geweest!
  • Informatief luisteren, nieuwe informatie opdoen uit het gesprek.
  • Empathisch luisteren, met gevoel, zonder oordeel.
  • Een mix van bovenstaande vormen is de ideale: generatief luisteren. Je luistert alert, leert van wat de ander zegt en hebt geen oordeel over wat je hoort.

De chinezen hebben een mooi teken voor luisteren dat veel verder gaat als een activiteit dat is voorbehouden aan het oor. Het past mooi bij de vierde vorm van luisteren.

Het oor is hier slechts een van de elementen die een rol spelen. De ander, jij, en oog en onverdeelde aandacht hebben voor die ander, staan aan dezelfde kant als het luisteren met je hart.

Luisteren, als basis van een goed gesprek, heeft pas echt waarde als de inbreng ook daadwerkelijk vertaald wordt naar beleid. Wanneer input uiteindelijk uitmondt in een ander besluit is goede argumentatie een must. Niets is zo funest voor het vertrouwen wanneer bij de inwoners het idee ontstaat dat er niets is gedaan met de inbreng.

Een participatietraject schept dus ook verwachtingen. Heldere afspraken over rol en mate van participatie, tijdige (proces) terugkoppeling en goed beargumenteerde besluitvorming maken dat inwoners zich serieus behandeld voelen en mogelijk nogmaals mee willen denken of een project willen initiëren.

Buiten de kaders zoeken naar oplossingen

Binnen de organisatie betekent echt luisteren naar inwoners of inwonersinitiatieven omarmen dat je vanuit een open mind samen nadenkt over oplossingen voor een vraagstuk. Nog lang niet overal is men bereid of in staat buiten de kaders te denken. Dat vereist een mindswitch, scholing, rugdekking door leidinggevenden.

Ter afsluiting zoom ik in op een traject, dat ik zijdelings meekreeg, bij een van de waterschappen* waarin alles eigenlijk mooi samenkomt. Een kleine groep inwoners krijgt het voor elkaar dat er serieus wordt nagedacht over het uit de waterwet halen van een dijkdeel (150 mtr.) dat voor hun huizen langsloopt. Zij willen unaniem geen verhoging van de dijk. De motivatie van de inwoners was het verlies van het uitzicht, de zeer geringe kans van overlast die absoluut geen gevaarlijke situatie oplevert voor mensen en de zeer geringe schade bij hoog water. Dat verlies willen ze nemen. Het waterschap luisterde oprecht en buiten de vaststaande kaders van het hoogwaterbeschermingsproject, denkt mee over vergaande oplossingen. Op weg naar het definitieve besluit worden inwoners goed geïnformeerd over de stand van zaken en de mogelijke beslissingen. De minister moet nog beslissen of de dijk uit de wet gehaald wordt. Het zou een succesvolle afsluiting zijn van een mooi participatietraject.

* Christine Bleijenberg promoveert aan de Hogeschool Utrecht op gesprekken tussen inwoners en overheid. Zij is een van de auteurs van de artikelenreeks “In contact met de overheid’.

* Noelle Aarts is hoogleraar communicatie aan de Wageningen Universiteit.

* Met dank aan Marijke van der Steen, senior communicatieadviseur Waterschap Limburg.


Jolande Prudon, Communicatieadviseur